Juridisch vademecum

De gerechtelijke bewijslast

Bij een rechtszaak stelt het Wetboek dat elke partij het bewijs moet leveren van de feiten die ze aanvoert. Aangezien het bijzonder moeilijk is om discriminatie aan te tonen, heeft de wet de bewijsvoering versoepeld door een systeem van verschuiving van de bewijslast:

De Antiracismewet (art 30 KB) stelt: 'Wanneer een persoon die zich slachtoffer acht van een discriminatie, het Centrum of een van de belangenverenigingen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van een discriminatie op grond van een van de beschermde criteria kunnen doen vermoeden, dient de verweerder te bewijzen dat er geen discriminatie is geweest.'

Toegepast op de huisvestingsmarkt is het dus zo dat indien iemand beschikt over geloofwaardige elementen (uitwisseling van e-mails, getuigenissen enzovoort) die erop wijzen dat hij/zij werd gediscrimineerd, het aan de eigenaar is om te bewijzen dat hij geen enkele vorm van discriminatie heeft toegepast.

Voorbeeld: een persoon werd een huurwoning geweigerd omdat deze al verhuurd zou zijn. Vervolgens belde een vriendin naar het immokantoor, waar men vroeg 'of haar vrienden Belgen zijn of vreemdelingen'. Op grond van deze getuigenis vond de rechter dat er een vermoeden van discriminatie en dus een verschuiving van de bewijslast was. De verhuurder kon de afwezigheid van discriminatie niet aantonen en werd veroordeeld.

De rechtsgeldigheid van een testsituatie

De voorgestelde methodologie is een vorm van praktijktest. De praktijktest wordt vaak gebruikt in de strijd tegen discriminatie om de verschillen in behandeling te onderzoeken tussen twee personen met een gelijkaardig profiel dat slechts op één punt verschilt (bijvoorbeeld afkomst), om zo een mogelijke discriminatiegrond aan het licht te brengen.

Het gebruik van praktijktests als bewijsmiddel voor de rechtbank leidt soms tot controverse. De rechtsgeldigheid van dergelijke tests wordt door sommigen betwist. Nochtans lijkt er geen grond voor het verbieden van deze test om een vermoeden van discriminatie bloot te leggen en zo de bewijslast te verschuiven zoals voorzien door de wet (zie hierboven). De vorige Antidiscriminatiewet bevatte overigens een expliciete verwijzing naar deze bewijsvorm. De nieuwe Antidiscriminatiewet verwijst er niet langer rechtstreeks naar, maar evenmin verbiedt ze het gebruik van dergelijke tests. De wet luidt als volgt:  

'§ 2. Onder feiten die het bestaan van een directe discriminatie op grond van een beschermd criterium kunnen doen vermoeden, wordt onder meer, doch niet uitsluitend, begrepen:

1° de gegevens waaruit een bepaald patroon van ongunstige behandeling blijkt ten aanzien van personen die drager zijn van een welbepaald beschermd criterium; onder meer verschillende, los van elkaar staande bij het Centrum of een van de belangenverenigingen gedane meldingen;

of

2° de gegevens waaruit blijkt dat de situatie van het slachtoffer van de ongunstigere behandeling vergelijkbaar is met de situatie van de referentiepersoon.'

De wet verwijst dus naar een patroontest en een vergelijkingstest waarvan de elementen, wanneer samengevoegd, herinneren aan de kenmerken van de praktijktests. Daarbij komt dat de bewijsvormen die in de wet worden opgesomd niet exhaustief zijn, wat blijkt uit het gebruik van de term 'niet uitsluitend'.

Toch moet men uitkijken met de manier waarop de test wordt uitgevoerd. Unia pleit er in elk geval voor deze test alleen reactief te gebruiken, dat wil zeggen nadat er zich discriminatie heeft voorgedaan, en dus enkel om haar aan het licht te brengen. Het proactieve doorvoeren van zo'n test (op basis van een fictieve situatie) zou kunnen worden betwist en als een vorm van uitlokking kunnen worden beschouwd, wat de wettigheid van de bewijslast zou ondermijnen.

De rechtsgeldigheid van de opname van een gesprek

Al wordt de rechtsgeldigheid van het gebruik van een geluidsopname als bewijs soms in twijfel getrokken, toch zou die moeten worden erkend in de strijd tegen discriminatie. De wettigheid van dergelijke opnames wordt overigens bevestigd door een aantal rechterlijke uitspraken.[1] Zo is het toegestaan een gesprek op te nemen waaraan men deelneemt, zolang het gebruik van de opname geen inbreuk pleegt op de privacy van de andere deelnemers aan het gesprek. Daarbij houdt men onder meer rekening met de inhoud en de omstandigheden waarin het gesprek plaatsvond.

In dit geval heeft de opname tot doel na te gaan of er sprake is van discriminatie. Het gesprek heeft geen betrekking tot het privéleven van de deelnemers, maar is eerder gericht op hun onderlinge relatie als kandidaat-huurder en verhuurder of makelaar. Niets verbiedt dus het gebruik van de opname in de rechtbank, zeker omdat het moeilijk is discriminatie op een andere manier aan te tonen. Een dergelijke opname werd overigens al als bewijs aanvaard in een rechtszaak in verband met een geval van discriminatie.[2] 

Niettemin hebben sommige rechterlijke uitspraken dergelijke opnames geweerd op grond van de stelling dat het bewijsmiddel op onwettige manier werd verkregen en een schending inhield van het recht op een eerlijke rechtszaak.[3]

In dit verband mogen we niet vergeten dat het Hof van Cassatie in zijn Antigoon-arrest van 14/10/2003 de beginselen heeft gedefinieerd voor het gebruik van een bewijs dat onrechtmatig zou zijn verkregen (in de veronderstelling dat men een opname als onrechtmatig zou beschouwen).[4] Een rechter zal een opname dus niet noodzakelijk weren, zelfs indien de opname wordt beschouwd als bewijs dat onrechtmatig is verkregen.

[1] Zie Cass. 9 januari 2001, AR P990235Nt en Cass., 9 september 2008, AR P.08.0276.N, maar ook Kooph. Kortrijk 24 juni 2004, Arb. Brugge 10 december 2013 en Gent 6 september 2006

[2] Rechtb. Neufchâteau 3/03/2009 en Hof van beroep van Luik 29/06/2010

[3] Arbeidshof Brussel, 7/1/2015

[4] Het Antigoon-arrest betrof de bewijsvoering in het strafrecht, maar het Hof van Cassatie bevestigde deze beginselen in burgerlijke zaken (Cass. 10 maart 2008).